Het fundament en de basis van de religie - Shaykh Muhammad ibn 'Abd al-Wahhâb en Shaykh Ahmad an-Najmî (rahimahullâh)

op .

Shaykh Muhammad ibn 'Abd al-Wahhâb (rahimahullâh) heeft gezegd :

Het fundament van de religie en haar basis zijn twee zaken :

- De eerste : Het bevel om Allah Alleen te aanbidden, zonder deelgenoten, daartoe aansporen, vriendschap in functie daarvan, en het ongelovig verklaren van degene die het achterwege laat.

- De tweede : De waarschuwing tegen shirk (het toekennen van deelgenoten) in de aanbidding van Allah, dat doen met hardheid, vijandigheid in functie daarvan, en het ongelovig verklaren van degene die het doet. 


Uitleg van Shaykh Ahmad ibn Yahyâ an-Najmî (rahimahullâh) :


Twee zaken, en deze zijn :

- De eerste : dat de dienaar zijn aanbidding richt aan de Heer, Hij Alleen, zonder eender welke andere naast Hem, wie het ook is ; en dat de dienaar oproept naar de tawhîd van zijn Heer en zijn Godheid als hij daartoe de mogelijkheid heeft ; dat hij liefheeft omwille van Hem en dat hij haat omwille van Hem, en vriendschap toont in functie van Hem en vijandigheid toont in functie van Hem. Want bondgenootschap en vijandigheid behoren tot de fundamenten van deze religie. Allah heeft ons ingelicht over Ibrâhîm ('alayhi s-salâm) dat hij zich vrij verklaarde van zijn volk en van hun godheden die zij aanbaden naast Allah. Hij (Ta'âlâ) zegt :

وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ إِنَّنِي بَرَاءٌ مِمَّا تَعْبُدُونَ إِلَّا الَّذِي فَطَرَنِي فَإِنَّهُ سَيَهْدِينِ 

"En (gedenk) toen Ibrâhîm tot zijn vader en zijn volk zei : Voorwaar, ik ben niet verantwoordelijk voor wat jullie aanbidden, behalve Degene Die mij heeft geschapen, want voorwaar Hij zal mij leiden." [S. az-Zukhruf, v. 26-27]


- De tweede : Het ongeloof in de tâghût, door te waarschuwen en te vermanen tegen shirk in al haar vormen in de heerschappij van Allah en in Zijn goddelijkheid. En tot shirk behoort ook het niet geloven in Zijn Namen en Zijn Eigenschappen. Het fundament in dat (onderwerp) is Zijn uitspraak ('azza wajall) :

فَمَنْ يَكْفُرْ بِالطَّاغُوتِ وَيُؤْمِنْ بِاللَّهِ فَقَدِ اسْتَمْسَكَ بِالْعُرْوَةِ الْوُثْقَى

"En wie de tâghût verwerpt en in Allah gelooft, heeft zeker het stevigste houvast gegrepen." [S. al-Baqara, v. 256]

Tawhîd is dus niet geldig, tenzij door het ongeloof in de tâghût en door shirk (het

toekennen van deelgenoten aan Allah) en haar aanhangers (volledig) te verwerpen.

[Bron : "Fath Rabb al-Ghafûr Dhir-Rahma fî Sharh al-Wâjibât al-Mutahattimât al-Ma'rifa 'alâ Kulli Muslim wa Muslima" van Shaykh Ahmad ibn Yahyâ an-Najmî (rahimahullâh), p. 43-44, uitgave Dâr al-Minhâj, eerste druk, 1434 h.]

[Vertaling : ابو معاذ محمد داود]

De ergste zonde - Shaykh 'Abd ar-Razzâq al-'Abbâd (hafidhahullâh)

op .

Intro:


ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَـٰوَٲتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَجَعَلَ ٱلظُّلُمَـٰتِ وَٱلنُّورَ‌ۖ ثُمَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِرَبِّہِمۡ يَعۡدِلُونَ

"Alle lof is aan Allah, Die de hemelen en de aarde schiep en Die de duisternissen en het licht maakte. Maar vervolgens kennen degenen die ongelovig aan hun Heer zijn, (deelgenoten) toe." [S. al-An'âm, v. 1]

-----------------------------------------------------------------------------------------

Toen hij ('alayhi s-salâtu was-salâm) gevraagd werd : "Welke is de grootste zonde ?" Wat zei hij ?

"Dat je een deelgenoot toekent aan Allah, terwijl Hij je geschapen heeft."

Dat je een deelgenoot toekent aan Allah, terwijl Hij je geschapen heeft !

Hij Alleen (subhânahu wa ta'âlâ) is de Enige Die je geschapen heeft. Hij is de Enige Die jou je voorziening schenkt. Hij is de Enige Die je heeft doen leven en je zal doen sterven.

Dus hoe kan er dan voor een ander dan Hem iets van aanbidding verricht worden ? Hoe kunnen er voor een ander dan Hem daden van gehoorzaamheid verricht worden ?

Aanbidding en tawhîd zijn een recht uitsluitend voor Allah (tabâraka wa ta'âlâ).

Bijgevolg is het verplicht voor degene die voordeel wil halen uit "lâ ilâha illAllâh", dat hij haar betekenis begrijpt. En haar betekenis is duidelijk.

Wat is de betekenis van "lâ ilâha illAllâh" ? Niets heeft het recht aanbeden te worden, behalve Allah.

En de betekenis daarvan is dat we enkel smeekbeden verrichten aan Allah, en dat we enkel vragen aan Allah (in zaken die enkel Hij kan verwezenlijken), en dat we enkel hulp vragen aan Allah, en dat we enkel offeren aan Allah, en dat we iets van daden van aanbidding enkel wijden aan Allah (tabâraka wa ta'âlâ).

[Vertaling : ابو معاذ محمد داود]

De 18 fundamenten van de Tawhîd naar unanimiteit van de Boodschappers en de Openbaringen

op .

بسم الله الرحمن الرحيم 

In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Meest Genadevolle

 

Eerste : dat Allah er altijd is geweest, dat Hij de Enige is en geen deelgenoot of helper of tegenstander of raadgever of aanstoker of beschermer heeft in het Koninkrijk. Hij heeft ook geen bemiddelaar, behalve met Zijn Wil.

Tweede : dat Hij geen ouders noch kinderen heeft. Hij heeft geen gelijke noch iemand die op Hem lijkt in welke vorm ook die door Hem is vastgesteld, en Hij heeft geen echtgenote.

Derde : Hij volstaat aan Zichzelf. Hij eet niet, drinkt niet en heeft geen behoefte aan wat dan ook van datgene waar Zijn schepselen behoefte aan hebben, in welke vorm dan ook.

Vierde : Hij verandert niet en wordt niet beïnvloed door veranderingen, zoals ouderdom, ziekte, slaap, slaperigheid, vergeetachtigheid, spijt, vrees, ongerustheid, droefheid of andere.

Vijfde : geen enkele van Zijn schepselen kan op Hem gelijken of niets lijkt op Hem, noch in Zijn Wezen, noch in Zijn Eigenschappen of Daden.

Zesde : Hij bevindt Zich in niets van Zijn schepselen, net zoals niets van Zijn schepselen zich in Zijn Wezen bevindt. Hij is met Zijn Wezen volledig gescheiden van Zijn schepselen en Zijn schepselen zijn ook gescheiden van Hem.

Zevende :Hij is Grootser dan al de rest, groter dan al wat bestaat, Hij is boven alles en verheven boven alles, terwijl er niets bestaat boven Hem.

Achtste : Hij is in staat te doen wat Hij wil en niemand kan Hem verhinderen in wat Hij wil doen. Hij doet wat Hij wil.

Negende : Hij weet alles. Hij kent het geheime en verborgene. Hij weet wat er gebeurd is en wat er zal gebeuren en hoe zou gebeurd zijn wat niet gebeurd is. Geen blaadje valt zonder dat Hij het weet. Er bestaat geen enkel graantje in de duisternissen van de aarde, niets vers of droog, niets beweeglijks of immobiels, zonder dat Hij er de werkelijkheid van kent.

Tiende : Hij hoort en ziet alles. Hij hoort elke stem, zonder onderscheid van talen en diversiteit van behoeften. Hij ziet de gang van een zwarte mier op een zwarte steen in de duisternissen van de nacht. Zijn Gehoor omvat alle stemmen. Zijn Zich omvat alles. Zijn Kennis omvat alle informatie. Zijn Macht omvat alles. Zijn Wil wordt werkelijkheid over al Zijn schepselen. Zijn Barmhartigheid heeft al Zijn schepselen omvat. En Zijn Troon gaat verder dan de aarde en de hemelen.

Elfde : Hij is de (altijd aanwezige) Getuige en is nooit afwezig. Niemand zal hem vervangen of erven in Zijn Koninkrijk. Hij heeft geen behoefte aan iemand die Hem de behoeften van Zijn schepselen meedeelt, noch aan iemand die Hem helpt of Zijn Gevoeligheid vraagt tegenover de schepselen en Zijn Genade vraagt voor hen.

Twaalfde : Hij heeft altijd bestaan en zal altijd bestaan. Hij zal niet verdwijnen, noch zal Hij verloren gaan. Hij zal niet verdwijnen noch zal Hij sterven.

Dertiende : Hij spreekt, beveelt en verbiedt. Hij zegt enkel de waarheid, leidt op het Rechte Pad, zendt Boodschappers, openbaart Boeken. Hij vat alle zielen en weet wie het goede of het slechte heeft verdiend. Hij beloont de weldoener voor zijn goeds en straft de kwaaddoener voor zijn slechts.

Veertiende : Hij is oprecht in Zijn Belofte en Zijn nieuws. Niemand is waarheidsgetrouwer dan Hem en (niemand) zal het kunnen zijn in zijn woorden. Hij zal niet verraden wat Hij beloofd heeft.

Vijftiende : Hij is de toevlucht voor iedereen, in alle betekenissen van de toevlucht. Het is onmogelijk dat een tegenstelling verschijnt in Zijn toevlucht.

Zestiende : Hij is de Heilige, de Vrede en vrij van elk gemis, zwakheid of gebrek.

Zeventiende : Hij is Perfect en de algemene perfectie in alle vormen behoort Hem toe.

Achttiende : Hij is de rechtvaardigheid die geen onrecht zal aandoen of de grens niet zal overschrijden. De dienaren vrezen niet dat Hij hen onrecht aandoet.

Hiervoor geldt unanimiteit bij al de Boodschappers en in al de Openbaringen. Dit is duidelijk, altijd van kracht en het is onmogelijk dat de sharî'a met iets komt dat er tegenin gaat, noch dat het over iets informeert dat er tegenin gaat.

 

[Bron : "Minhâj at-Ta'sîs wat-Taqdîs", Imâm 'Abd al-Latîf ibn 'Abdirrahmân Âl ash-Shaykh, p. 80-83]

[Vertaling : ابو معاذ محمد داود]