Vermijden om mensen te doen wegvluchten bij de uitnodiging naar Allah - Shaykh Muhammad ibn Sâlih al-'Uthaymîn (rahimahullâh)

op . Gepost in Dawah en omgang met de mensen van innovaties

Vraag :

Wat zegt u - moge Allah u doen welslagen - als aanmoediging voor de studenten van kennis die verworven hebben wat ze verworven hebben van de shar'î kennis, bijvoorbeeld tijdens deze vakanties waarin de mensen vrij zijn ? Heeft u een aanmoediging voor hen omtrent het gaan naar hun landen om aan de mensen de religie van Allah (ta'âlâ) te onderwijzen, in het bijzonder wanneer de mensen vrij zijn tijdens zulke vakanties ?



Antwoord :

Dit is goed als de persoon de kracht heeft om af te wenden wat hem zal toegeworpen worden aan misleidende argumenten (shubuhât). En ik bedoel daarmee andere landen dan Saudi-Arabië, want in Saudi-Arabië vind je geen misleidende argumenten zoals de misleidende argumenten in de andere landen. Dus als hij daar de kracht toe heeft, dat hij dan gaat. Misschien zal Allah (anderen) profijt schenken door hem.

In dat geval ben ik van mening dat men niet moet beginnen met de mensen te verwijten voor datgene waar ze zich op bevinden. Want als hij dat doet, zullen ze zich van hem afwenden en zullen ze niet naar hem luisteren.

Maar hij verduidelijkt hen de waarheid en hij spoort hen ertoe aan en hij wakkert hun interesse er voor aan. En hij snijdt de zaken aan waarover ze het met hem eens zijn inzake hun belang, zoals bijvoorbeeld het gebed en (het feit dat) ze zuiver voor Allah is.

Zelfs als ze de gewoonte hebben om te aanbidden, bijvoorbeeld wat ze aanbidden van graven, dan richt hij zich niet op hun praktijk door hen te bekritiseren, hen te beledigen en hun daad te beledigen. Want er is geen twijfel over dat dit hen zal doen wegvluchten.

Maar hij benadert hen meteen verduidelijking van tawhîd en haar gunst, en (zo ook) het gebed, ... Een verstandige persoon weet hoe hij zich moet gedragen. Dan zal hij hun harten voor zich winnen en zullen ze zijn woorden aanvaarden. Ja.


[Bron : "Al-Liqâ' ash-Shahrî", 17, met Shaykh Muhammad ibn Sâlih al-'Uthaymîn (rahimahullâh), vraag 13]

[Vertaling : ابو معاذ محمد داود]